Het "Onze Vader" naast het "18-gebed"

Het "Onze Vader" is een verkorte versie van het uitgebreidere "18-gebed". 

Onderstaand stuk is geschreven door een Nieuw Testamenticus die vanuit zijn eigen Joodse wortels veel helderheid kan geven over veel begrippen die Jezus van Nazareth hanteerde.



Het "Onze Vader"

In veel kerken en gezinnen wordt regelmatig het "Onze Vader" gebeden. Volgens kerkelijke tradities wordt dit gebed regelrecht gelinkt aan Jezus van Nazareth die rondging in Israel (ten tijde van de Romeinse overheersing), goed doende, genezende en lerende uit de boeken van Mozes, met daarbovenop Zijn eigen inzichten hierop. Aldus wat de kerk stelt, maar ook Pinchas Lapide omschrijft in zijn boek "Geen nieuw gebod".

Pinchas Lapide was een Nieuw Testamenticus die vanuit zijn eigen Joodse wortels veel helderheid kan geven over veel begrippen die Jezus van Nazareth hanteerde. Na zijn overlijden zijn zijn boeken (zij het spaarzaam) nog te krijgen. Vaak uit boekenkasten van anderen. Pinchas Lapide gaat in op het Onze Vader op een manier die veelzeggend is. Ik wil u graag een aantal stukken citeren uit zijn boekje. Het zal u gedachten verdiepen omtrent de oorsprong en de ware betekening van dit gebed.

De aanspraakvorm "Onze Vader"

"De reactie van Lukas geeft ons, niet de aanspraakvorm 'Onze Vader', overeenkomend met het Hebreeuwse 'Awinoe' en het Aramees 'Aboena', (zoals beiden worden gebruikt in de Joodse gebeden) maar de kortere aanspreekvorm 'Abba'. 'Abba' komt voor in de Aramese taal en ook in de Misjna. Oorspronkelijke betekenis hiervan is: 'vader, papa'. Deze titel wordt later in het Nieuwe Testament nog een paar keer gebruikt. Op het moment dat Jezus in de hof van Gethsemané vertwijfeld bidt (Marcus 14:36) en later bij Paulus. Paulus gebruikt in Romeinen 8:15 en Galaten 4:16 ook deze titel. Hij wordt ook gebruikt in Hebreeën en tienmaal in de geschriften van Johannes. 'Abba' is dus een titel die normaal was in de wereld van die tijd en ook een zekere intimiteit inhield.

Vast staat echter dat Jezus deze God - die voor hem de Schepper der wereld, de Verbondsgod (was) en de toekomstige Rechter (is), zoals voor zoveel vrome Joden uit zijn tijd en ook in onze tijd- 'Onze Vader' (in Mattheus 6:4, 26), 'mijn Vader' (Mattheus 26:39), 'de Hemelse Vader' ( Mattheus 5:48) of nog tederder, 'Abba' (Marcus 14:36) noemt. Dit getuigt zowel van zijn nabijheid bij God als van zijn vroomheid, als het gaat om de beleving van zijn intens gevoel van jood-zijn. Ook de indeling van het gebed in zeven afzonderlijke gebeden, waarvan de eerste drie op God gericht zijn en de laatste zeven op het menselijk welzijn, is vorm gegeven naar bijbels voorbeeld [ed. : De eerste drie geboden op de Sinai waren gericht op God en de andere zeven op het welzijn van de mensen.].

Precies zoals de zeven zaligsprekingen van de Bergrede, het zevenmaal uitroepen 'Wee over u, Farizeeën', de zeven gelijkenissen en de plicht niet zeven maal, maar zeven maal zeventig maal te vergeven, herinneren ons aan het heilige getal zeven in de boeken van Mozes. Er zijn zeven dagen in een week, na zeven jaar komt er een jubeljaar, de zevenarmige kandelaar van de tempel, [als ook de zeven geesten des HEEREN in Openbaringen en ook het begin van het nieuwe Joodse jaar in de zevende maand van het jaar]. Zeven is een belangrijk getal in de oude geschriften.

Na de aanspreekvorm volgen drie gebeden (geen geloften of wensen) die haast woordelijk overeenkomen met het dagelijkse Kaddisj-gebed van de synagoges en hoogst waarschijnlijk nog uit de eerste eeuw voor Christus stamt. Daar lezen we, zoals elke jood uit zijn synagoge weet: "Verheven en geheiligt worde Zijn Grote Naam, in de wereld die Hij naar Zijn wil geschapen heeft. Late Zijn koningschap heersen in uw leven en in uw dagen en in het leven van het ganse huis Israëls." In dit korte gebed staan drie sleutelbegrippen samengebald, welke bepalend (zouden) moeten zijn voor het bidden tot onze Vader: Het groot maken van Zijn Naam, Zijn koninkschap en Zijn heilige wil, als u serieus neemt wat u bidt.

De wijze van uitspreken wijst op het ontzag hebben voor de God van de bijbel. Er is geen ruimte voor een banale handelswijze ten op zichte van de God die aard en hemel schiep. Alleen wanneer en waar Gods' Naam in de wereld geheiligd wordt, erkent de mens Zijn Koningschap en juist dan en daar - ter plekke - kan ook Zijn wil tot heil van deze wereld ten uitvoer gebracht worden.


... Uw Naam worde geheiligd

Deze 'heiliging van Naam' heeft in het joodse spraakgebruik vier dimensies. De eerste is een morele verplichting, die zegt dat God toch moge bewerken dat alle mensen Hem erkennen en dienen. Dit moet vooral tot uitdrukking komen in zuiver gedrag en zedelijk gedrag en goede daden waarmee we laten zien dat Gods Naam willen heiligen [apart zetten van alles wat hier op aarde is en toch de grondslag is van ons bestaan].

Als de dicipelen bidden tot de Vader dat Hij Zijn Naam moge heiligen, dan bidden ze om Gods genade zó te kunnen leven, dat zij zijn 'als het zout van deze aarde' en als het 'licht van deze wereld', waardoor ze mensen aansporen om hun voorbeeld te volgen. Dit gebed is dus een soort boemeranggebed, dat gelijk staat aan een oproep tot zelfreiniging [heiliging] van de persoon die het [zelf] bidt. De zo 'beoogde verheerlijking van Israëls God door de heidenen" (Kiddoesjin 4:65b) is in wezen een dienst aan het komende rijk van de Hemel [wat ooit zal komen], voor de bevordering er van, waarbij rabbi Jochanan zo ver ging dat hij zei: "Liever moge één letter uit de Torah worden ontworteld, dan dat de Naam van Israëls God in het openbaar worde ontheiligd.... (Jeb. 79a) Rabbi Jochanan ging nog een stapje verder als rabbi Jezus, die 'niet bereid was ook maar van één jota of tittel van de wet af te zien' eer alles (hier wordt gesproken over de laatste tijd van deze wereld) zal zijn geschiedt... (Mattheus 5:18) De overlevering valt samen in één zin: 'Als Israël de wil van God doet, dan is de Naam van God geheiligt in de wereld'. Echter als het Israël de wil van God niet doet, dan wordt Zijn Naam ontheiligd. (Sifra bij Leviticus 19:2) Als Jesaja 11:10 spreekt van 'een licht voor de volkeren', wordt ook de opdracht verstaan in Leviticus 22:32: 'Ontheiligt mijn heilige Naam niet, zodat ik geheiligd worde in het midden van de Israëlieten!' Jesaja 5:16 zegt: '.. de heilige God wordt geheiligd door rechtvaardigheid.'

Iemand die de Naam heiligt [is gelijk aan zelfovergave aan God, alle consequenties daarvan accepterende] is in het Hebreeuws zowel iemand die 'het juk van het hemelrijk op zich neemt als iemand die als bloedgetuige voor zijn identiteit sterft [als dat nodig is] om door zijn overlijden de goddelozen tot inkeer te brengen. [In Openbaringen 12:11 staat: 'Zij hadden hun leven niet lief tot in de dood.']

'Uw Naam worde geheiligd' is dus eigenlijk een oproep tot [geestelijk] hardhorende mensen om geen compromissen te sluiten met de Mammon of kwade elementen in ons aards bestaan, maar alleen maar de Eeuwige God te dienen. Indien niet voorkoombaar, tot aan de dood aan toe. De aantekening van de schrijver hierbij is dat alles wat Jezus deed - het schenken van vergeving, zijn omgang met wetsovertreders en afvalligen, zijn onvermoeibare boetepredikingen - hebben maar één gemeenschappelijk doel, namelijk het volk van God als geheel te herstellen en 'bijeen te brengen', zoals hij veelvuldig benadrukt o.a. in Mattheus 12:30, 23:37 en in Lucas 13:34. Dit 'bijeenbrengen' van de verstrooide, verdwaalde en verloren schapen van het huis Israëls (Mattheus 10:6) kan uiteindelijk alleen door God Zelf volbracht worden, wat er toe zal leiden dat Zijn Naam geheiligd zal worden. Ezechiël 37 spreekt over de verstrooiing van Israel onder de volkeren. Volkeren waar Zijn Naam niet als belangrijk (genoeg) wordt gezien om apart te zetten van alles wat waardevol is en waar Zijn Naam dus niet geheiligd wordt.

Ezechiel 36:20-24:
'Want de heidenen zeggen immers nu overal: "Dat is dus het volk van God. Deze Heer moet wel een erbarmelijk God zijn, als Hij Zijn eigen volk niet voor het verlies van Zijn land kon bewaren!" In deze situatie spreekt God door de mond van Ezechiël "... niet om uwentwil doe ik het, o huis Israels, maar om Mijn heilige Naam, die jullie ontheiligd hebben onder de volkeren. Ik zal Mijn grote Naam, die onder de heidenen ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen. En de volkeren zullen weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u de Heilige zal betonen. Ik zal u weghalen uit de volkeren en u bijeenbrengen uit alle landen en u brengen naar uw eigen land..."

.... Uw Koninkrijk kome

Het Hebreeuwse woordt wat hier gebruikt wordt is "Malchoet". Het gaat hier niet om een geografisch of terratoriaal bepaald stuk land, maar om het Koning-zijn of de Alleen-heerschappij van God Zelf. Aangezien hier dus geen aardse staatvorm of een regime wordt bedoeld, maar meer om een anti-these van alle aardse koningsmachten, vertaalt Martin Buber deze term veel correcter met de woorden 'Koningschap Gods' - met als belangrijkste kenmerk dat het noch ruimtelijk, noch statisch is, maar dynamisch is als een wordende 'anarchie', waarvan het belangrijkste kenmerk is dat 'het een vurig verbeid maar nimmer vervuld bijbels ideaal is van een geweldloze, rechtvaardige liefhebbende samenleving die verwerkelijkt zal gaan worden.

In dit licht vindt ook het geven van giften (tzedaka), de zorg voor de weerlozen, ouderen, zieken en minder bedeelden een plekje, als mogelijkheid om liefde en gerechtigheid op deze aarde te bevorderen. Alleen in de ononderbroken continuïteit van het (goddelijk) geven / handelen - waar je vaak weinig van ziet, maar wat slechts stapsgewijs openbaar wordt - wordt Jezus' verbinding tussen het ongeduldige 'nu' en het 'dan' van de laatste tijd van de wereld begrijpelijk.

Rasjit (de grootste joodse bijbeluitlegger van de middeleeuwen) legde Deuteronomium 6:4 als volgt uit: 'Hij nu, Die onze God is, zal in de toekomst de ene-enige God zijn, namelijk dan als ook de volkeren der wereld Zijn Koningschap zullen erkennen.' (volgens Sefanja 3:9 en Zacharia 14:9). Het Koningschap Gods - uit de psalm 145:11-13 - is een begrip waaronder wordt verstaan dat er geen afbegrensd gebied is op deze aarde en in de hemel, waar Hij geen Koning zou zijn. Zijn macht zal zich gaan uitstrekken over de gehele aarde en de gehele hemel en het gans heelal. 'Van oudsher is Hij de Heer van Zijn volk.' (Jesaja 52:70, psalm 93, psalm 97:1 enz.) en ook is Hij de Heer van Zijn gemeente die Zijn geboden vrijwillig gehoorzaamt en daarmee Zijn heerschappij erkent als een geldend gezaghebbende grondslag voor het dagelijkse leven. Alleen leven we nog niet in een tijd (anno 2016) waar dit de geldende norm is. In deze wereld is Zijn heerschappij nog verborgen. Zijn bewind is nog niet zichtbaar ingesteld. Mensen die menen het zonder God en Zijn instellingen te kunnen doen, die voorbij gaan aan de autoriteit van Zijn Naam, is een bestemde tijd gegeven, die tijd zal eindigen op de dag dat zomaar ineens het recht van oudsher [de mens heeft deze aarde niet gemaakt...] weer terug zal komen bij de rechtmatige eigenaar van deze wereld. Naar deze (nieuwe) dag zien jood en christen uit.
" .. Laat kommer en zuchten van ons wijken en wees Koning over ons! Gij Heer alleen in gunst en barmhartigheid, in genade en recht."
zo wordt uitgeroepen in het elfde gebed van het Achttien-gebed dat Jezus, zoals elke vrome jood, elke dag gebeden moet hebben.

In het joodse denken is een dergelijke nieuwe wereld nog zo ver weg, omdat het lijkt of het helemaal zo ver niet kan komen met al het huidige onrecht op aarde. Is God dan niet nu al Koning over heel zijn schepping? Zeker wel. Maar hij gaf de mensen de vrije keus 'ja of nee' te zeggen op Zijn aanbod van een prachtige wereld in Genesis, zodat sedert Abraham iedere zoon van Adam een potiëntiële partner van God kan zijn in de vervolmaking van deze wereld, door rechtschapenheid en godsvrucht. Het gaat in het Messiaans beleven om een rechtvaardige samenleving onder naties - te beginnen in de levens van individuele personen - geordend overeenkomstig zijn rechtvaardige instellingen / wetten. Het Kaddisj-gebed zegt: "Breng Uw Koningschap naderbij." Terecht merkte een Zwitsers theoloog op dat er niet staat: 'Neem ons op in Uw koninkrijk', wat de gedachte voorstaat van een verlangen om te sterven. Er staat: "Uw Koninkrijk moge tot ons op aarde komen." Deze gedachte heeft niets te maken met de 'hemel' als vrome omschrijving van God en nog minder met een koninkrijk [ter plaatse].

De omstandigheden waaronder Jezus deze woorden sprak, waren tumultueuze omstandigheden. Gallilea was het bolwerk van 61 rebelse groepen, oorlogen en opstanden die de joden gedurende driehonderd jaar (vanaf de Makkabeeën tot en met Bar-Kochba-opstand) tegen het heidense juk hadden ontketend. .... 'Uw Koninkrijk kome' was dus ook een "nee" tegen al die Zelootse heethoofden die de komst van de heerschappij Gods met militaire middelen wilden afdwingen. Maar evenzo zit in deze twee Hebreeuwse woorden een onmiskenbare anti-Romeinse angel; want vanuit de vroeg-Rabbijnse literatuur kennen we zo'n tiental spreekwoorden waarin 'hemelrijk' en 'Romeinse rijk' als onverzoenlijke grootheden tegenover elkaar gesteld worden. Zowel het idee van een heilige oorlog als het onderworpen gedrag van de meelopers van de Romeinen, wordt hiermee afgewezen - om de blijde boodschap van het komende Koningschap van God, de voorrang te geven. Dat juist deze verwachting - als doel in de toekomst, met de daarbij behorende toekomstige hoop hierop en verwachting hiervan - ook nu nog joden en christenen verbindt in een grote coalitie van Messiaans vertrouwen, mag niet in de vergetelheid raken.


..... 'Uw wil geschiede. Gelijk in de hemel, alzo ook op deze aarde.'

De derde van de 'Gij-geboden' herinnert aan de in de synagoge veelvuldig uitgesproken gebedsformule: "Moge het Uw wil zijn dat Gij ons vrede schenkt..." en "Maar zoals het de wil in de hemel is, zo doe Hij !" Het herinnert ook aan de smeekbede van Jezus in de hof van Gethesemané in Lukas 22:42 en Ber. 3:7 ".... niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde." Met andere woorden: 'geen blind fatalisme, noch stoÏcijnse overgave komt hier tot uitdrukking, maar de vrijwillige onderwerping aan Gods almacht, met de bede ons mensen de wil van de Vader te laten kennen en erkennen.'

Ik wil hier bezwaar maken tegen het werkwoord 'geschieden', ten gunste van de Engelse vertaling "Thy will be done." en de Franse vertaling die zegt: "Ta volonté soit faite." ([eveneens Uw wil geschiede. ) Volgens het woordenboek betekend geschieden: voorvallen, gebeuren - wat in tegenspraak is met de joodse, alsook de door Jezus gestelde prioriteit, van het 'doen', als meewerken aan het heilsplan van God. " Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen." (Exodus 24:7) zei Israel aan de voet van de berg Sinaï en het woord in zijn taalschat dat Jezus het meest gebruikt is juist dit 'doen', dat alle gelovige mensen tot Gods mede-arbeiders verheft. (1 Korinthe 3:9)

Deze bede, "Uw wil worde gedaan." geeft dus geen uitdrukking aan een 'zich blind overgeven' of 'aan angst voor de vrijheid'en al helemaal niet aan een berustend aanvaarden van een onveranderlijk lot. Integendeel ! Uit deze bede schreeuwt het hartstochtelijk verlangen naar die macht Gods, die alle macht van mensen door liefde zal vervangen ! De wil van God voor Jezus was niet iets abstracts, omdat deze wil zich in de geschiedenis van zijn volk ondubbelzinnig had geopenbaard: "Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het diensthuis geleid hebt. (Exodus 20:2) Deze uitspraak over Gods heerschapppij in Israel, is volgens de joodse telling (zoals ook Jezus die had geleerd) het eerste gebod. In dat gebod bewijst God de HEER, zich als bevrijder van Zijn verbondsvolk, die Hij als eerste heeft liefgehad en waarvan Hij nu hoopt dat die liefde ook beantwoordt wordt. Volgens rabbijns inzicht bestaat die tegenliefde vooral in het volgen van het Goddelijk onderricht (Torah) dat de tweevoeters tot een diepere en betere menswording moet brengen. De kern van de Torah bestaat uit tien geboden (woorden); een verkorte samenvatting van de wil van God, waarvan het doel bevrijding, vrede en gerechtigheid is. In het vaste geloof in deze heilswil van God als macht Die zonder geweld, alle andere machten overwint en waarvoor zich eens alles wat vlees en bloed is, ooit zal buigen, legt de bidder zichzelf en zijn / haar hoop en de toekomst in de hand van God.


' Geef ons heden ons dagelijks brood'

De vierde bede (om brood) herinnert ons aan het dankgebed aan de joodse tafel: "Geprezen zijt Gij HEER, onze God, Koning van deze wereld, die de hele wereld spijst door Zijn goedheid. In genade, liefde en barmhartigheid geeft Hij alle vlees en brood, want Zijn goedheid blijft tot in eeuwigheid.." Na drie Gij-gebeden (gericht op God) en voorafgaand aan de laatste drie Wij-gebeden (waarin het gaat om onze geestelijke intenties ten opzichte van de mensen om ons heen en geloofsgenoten) plaatst Jezus het gebed om brood er tussen in. Hiermee wil hij ons bewust maken dat ons brood geen vanzelfsprekendheid is; het resultaat van een berekenbare planning en productie, maar een geschenk uit de hemel, zoals iedere boer weet die de gevaren van plantenziekten, misoogsten en barre weersomstandigheden kent. Het koren gaat wel door onze handen en de groei er van hangt af van het zweet van de menselijke arbeid, maar uiteindelijk is het toch God die het tot volle wasdom brengt. Met 'brood' wordt in het Hebeeuws alles bedoeld wat de mens nodig heeft om lichaam en ziel bijeen te houden; zijn volledige levensonderhoud.

Luther categoriseerde het dagelijks brood met de volgende woorden: 'Alles wat behoort tot voedsel voor het lichaam en wat nog meer nodig is, zoals eten, drinken, kleding, schoeisel, huis, hof, akkers, vee, geld en goederen, een vrome echtgenoot / echtgenote, kinderen en personeel, goed weer, vrede, gezondheid, tucht en eer, goede vrienden, trouwe buren en dergelijke.' In het Grieks is er nog een vertaling mogelijk. Het woord brood kan ook uitgelegd worden als: 'levensnoodzakelijk, regelmatig, voor de komende dag' - waarbij echter de laatst betekenis in strijd lijkt te zijn met de laatste vermaning van Jezus: "Maakt u dan geen zorgen tegen de dag van morgen..." (Mattheus 6:34)

Tijdens een congres waren achttien christelijke confessies in Israel aanwezig [jaren zestig] om een overkoepelend orgaan te stichten - De Verenigde Raad van Kerken en Israel. Ze besloten hun liturgieën zo spoedig mogelijk een oecumenisch karakter te geven. Als eerste stap wilde men een Hebreeuwse éénheidstekst opstellen voor het Onze Vader die taalkundig zo dicht mogelijk bij de verloren gegane oertekst moest komen. Dat was het streven. Na lange overwegingen lukte het om het Onze Vader terug te brengen met een omstreden sleutelbegrip 'Epiousion'. De betekenis zou kunnen zijn: (1.) 'Brood voor de dagelijkse behoefte', zoals omschreven staat in Exodus 16:4 of (2.) 'Het brood ons toebedeeld', zoals in Spreuken 30:8 beschreven staat.

De eerste betekenis heeft het inhoudelijke voordeel dat het overeenkomt met 'vandaag', alsmede de oproep van Jezus tot blind vertrouwen op de voorzienigheids Gods (Mattheus 6:25-34). Brongedachte hierbij is het manna wat elke dag rondom de tenten van Israel lag en elke dag geraapt kon worden, behalve op de zevende dag van de week (de shabbat). Exodus 16:4 zegt: "...dan zal het volk uitgaan en verzamelen, zoveel als ze nodig hebben, opdat ik het op de proef stelle." In vers 20 staat dat sommige kleingelovige Israelieten deze proef niet hebben doorstaan en toch nog de zesde dag hun eten probeerde veilig wilde stellen: "... maar sommige luisterden niet naar Mozes en er van over tot de morgen, maar toen was het bedorven van de wormen en de stank." De moraal van dit verhaal ligt voor de hand: Vertrouwt op de HEER, dat Hij u morgen net zo zal voeden als Hij vandaag gedaan heeft!

De tweede mogelijke betekenis heeft het voordeel afkomstig te zijn uit een voorbede tot God, die inhoudelijk bijna identiek is met de bede van Jezus om brood: '.... voedt mij met het brood, mij toebedeeld.' in Spreuken 30:8. Deze vorm vraagt om bewaring voor gebrek, maar verbiedt ook elke overvloed, om op correct bijbelse wijze genoegen te nemen met de 'voor het dagelijkse levensonderhoud noodzakelijke kost'. Aangezien deze vorm in harmonie lijkt te zijn met de woordelijke betekenis van het Griekse woord 'epiousion' - 'voor de komende dag en ook overeenkomt met de van godsvertrouwende getuigende ootmoed van het gehele Onze Vader (waarmee woorden als 'het brood van morgen' of 'regelmatig brood' in strijd zouden zijn) koos men in Jeruzalem voor de tekst van Salomo. Dit is gestaafd aan Mattheus 6:29, waar - niet ver na het Onze Vader - geschreven staat: " ... Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als één van deze leliën des velds."

In zijn bede laat Jezus vier dingen meeklinken die tot de hoofdpijlers behoren van de joodse gelovige:
1. Ons aangewezen zijn op Gods gaven en ons recht daarvoor te bidden en 'onze handen uit de mouwen te steken'.
2. Ons afzien van angstige bezorgdheid.
3. Onze bescheidenheid en zeker godsvertrouwen, die de afgesmeekte gaven beperken tot de komende dag.
4. Doordat Jezus de dicipelen 'samen voor ons brood leert bidden', roept hij op tot delen, zoals het broers en zussen betaamt die gebed tot 'onze Vader gericht hebben'.


'... en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren'

Jezus heeft in de synagoge van zijn land geleerd en meegevierd dat God de boetvaardigen hun schuld kwijtscheldt en hun zonden vergeeft. Uit deze lankmoedigheid Gods volgt echter de noodzaak God na te volgen door je met je naaste te verzoenen. Omdat jou vergeving geschonken is (als een gift), mogen ook de mensen onderling elkaar vergiffenis schenken en vrede vinden. De bede om vergeving van zonden is derhalve een centraal deel van het joodse morgengebed en het hart van de nieuwjaarsliturgie waarin velerlei formulering wordt gezegt: " Vergeef ons onze Vader, onze Koning, want wij hebben gefaald... Vergeef ons onze Vader, want wij hebben tegen U gezondigd. Vergeef ons dat we afvallig zijn geworden, want Gij scheldt kwijt en vergeeft...."

In een aantal kerken is het slot van deze voorbede van Jezus ingekort tot "... gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren". Hoewel dit zowel in strijd is met de de Griekse tekst als met de betekenis die Jezus aan deze voorbede geeft. Mattheus geeft namelijk, volgens de betrouwbaarste handschriften, het werkwoord in voltooid tegenwoordige tijd: " ... gelijk ook wij vergeven hebben onze schuldenaren." En terecht, want ook de paralleltekst bij Lucas 11:4 luidt: ".. want ook wijzelf vergeven een ieder die ons iets schuldig is." doet de bedoeling van Jezus even weinig recht als Maarten Luther, die in zijn catechismus de vijfde bede als volgt verklaart: ' Wij bidden in dit gebed dat de Vader in de hemel onze zonden niet wil aanzien .... maar dat Hij ons alles als genade wil schenken, want we bedrijven dagelijks vele zonden en verdienen louter straffen. Zo willen wij op onze beurt ook hartelijk vergeven en gaarne weldoen diegenen die jegens ons zondigen. ['Onrecht aandoen aan een ander mens', is misschien in deze tijd voor onze jongeren een beter begrijpelijk woord ?]

Het is wellicht ook mogelijk om God onrecht aan te doen door Hem te negeren en Hem alles in de schoenen te schuiven (aan schuldvraag van wat deze wereld is geworden door het kwaad) wat wij doen... ? Het maakt dat wij ons hart afsluiten voor Zijn instellingen en gedachten over ons als mensen.

Haaks hierop staat een tekst uit Jes. 55:6-9 : 'Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.'

De grammaticale gelijktijdigheid van 'vergeef ons ... gelijk ook wij vergeven' wekt de verkeerde indruk van een voorwaarde die de vergeving van schuld van de naaste, afhankelijk lijkt te stellen van de (er aan voorafgaande) vergeving van de eigen schuld door God. Deze duistere redenering laat de kwade bijsmaak van een door de bidder gewenste ruilhandel met de HEER der wereld na: 'Zoals Gij mij vergeeft Vader, zo zal ik dan mijn naaste vergeven.' Meer nog! Legt men deze misleidende gelijktijdigheid uit als de onvoorwaardelijke vergeving Gods, in de zin van een 'gratia praeveniens' die bij voorbaat alle nodige vergeving als genade schenkt, dan zou dat tot een 'er-op-los-zondigen' kunnen leiden dat berust op de blasfemische zekerheid die Voltaire op zijn sterfbed moet hebben geuit: "God zal mij wel vergeving schenken, dat is immers Zijn vak!"

Tegenovergesteld hieraan is hetgeen dat aan het joodse zondenbegrip ten grondslag ligt. In het jodendom zijn berouw en hoop op verzoening met God nutteloos, als niet jegens een medemens begaan onrecht tevoren goed is gemaakt! 'Overtredingen tussen mens en God worden verzoend door de Grote Verzoendag', lezen we in de Misjna, maar overtredingen tussen mensen onderling worden niet verzoend door de Grote Verzoendag, tenzij de schuldige zijn naaste tevoren gekalmeerd en tot bedaren gebracht heeft (Joma VIII, 9). Geheel overeenkomstig hiermee eist Jezus in de bergrede (Mattheus 5:23) : " Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, vóór het altaar en ga eerst heen en verzoen u met uw broeder. Kom daarna terug en offer daarna uw gave."
De 'horizontale verzoening' is een absoluut noodzakelijke voorwaarde vooraf voor het recht om voor God te mogen treden en de 'verticale verzoening' af te smeken. "Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven hebben onze schuldenaren" kan in alle eerlijkheid gebeden worden door een persoon die weet dat hij dit toegepast heeft en 'zuiver van hart is' (volgens psalm 24:4), omdat hij zich al van tevoren ontdaan heeft van het bijtende gif van de jaloezie, de haatdragendheid, de twistzucht en de toorn en zijn broeders en zusters al reeds heeft vergeven op voorhand.

Dat de God van Abraham, Izaäk en Jakob een barmhartige rechter is, Die mensen beoordeelt naar hun medemenselijkheid is een theologische grondgedachte die door Jezus niet minder dan zes maal benadrukt wordt in het evangelie van Mattheus en Lucas:
- ... met het oordeel waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden. (7:2)
- ... met de maat waarmede gij meet, zult gij gemeten worden. (7:2)
- ... Oordeelt niet en gij zult niet geoordeelt worden. (Lucas 6:37)
- ... Oordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden. (Lucas 6:37)
- ... Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. (5:7)
En dan herhaalt Jezus het, aansluitend aan het onze Vader, een zesde maal, voor de hardhorenden...
- ... Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw hemelse Vader uw overtredingen niet vergeven. (6:14)

In alle zes gevallen is het tussenmenselijk gedrag de duidelijke voorwaarde vooraf, voor de er op volgende en er uit voortkomende vergelding Gods. In duidelijke bewoording wil het zeggen dat volgens joods begrip en in overeenstemming met de prediking van Jezus 'alleen de zelfoverwinning van het vergeving vragen en de verzoening met de buurman, rivaal, concurent of tegenstander een vergeving bewerken die van boven komt. Daarom heet Yom Kippoer in de rabbijnse literatuur ook 'De Grote verzoendag', omdat het gaat om de medemenselijke én de goddelijke verzoening, waarbij aan eerstgenoemde verzoening de zogenaamde tien dagen van omkeer zijn gewijd, die er op gericht zijn op het tegemoetkomen van de naaste (door hem niet langer als vijand te beschouwen en door vrede met hem te sluiten) voordat de dag daar is (Grote Verzoendag) waarop heel Israel tot bekering tot haar HEER geroepen wordt. Tien maal langer is de termijn die voor de 'horizontale' verzoening bestemd is, dan die ene 'verticale' verzoening. God weet hoe moeilijk het is om je voor een betweterige buurman te vernederen, om begaan onrecht de wereld uit te helpen. Je trots in te slikken, om een jaloers persoon de hand van de vrede toe te reiken, die hij mogelijk bot af zal wijzen, of ander onrecht te lijden, omwille van een goede verstandhouding (en uiteindelijk rust en vrede in de directe omgeving of in relaties).

Bent u bereid en in staat mensen om u heen vergeving te schenken, ook als ze u pijn gedaan hebben en hebben teleurgesteld? Bent u bereid vergeving te vragen, weer goed te maken wat u hen uit liefdeloosheid hebt aangedaan, om met goedheid een nieuw begin te wagen? Alleen wanneer u uw hart op dit alles kan zetten (om het te doen) bent u op de goede weg naar bekering. Deze bekering wordt niet gevraagd omwille van het individuele heil van de enkele zondaar, maar vanwege de Koningsheerschappij Gods, die niet zonder berouwvolle bekering tot voleinding kan komen. En daar het om een allesomvattende heerschappij Gods gaat, spreekt de biddende gemeente haar roep om hulp gemeenschappelijk uit: " Vader vergeef ons onze schulden...". Door toevlucht te zoeken voor de gerechtvaardigte toorn Gods werpt zij zich in de armen van de barmhartige Vader-God.


'... en leidt ons niet in verzoeking .....'

De verzoeking die ons hart dreigt te vergiftigen (zegt Spreuken 4:23 niet "Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de oorsprongen des levens.") heeft evenveel uitgangspunten buiten ons als zij aanknopingspunten kent binnen ons. Zij kan zich niet losbreken uit de zinnelijke kracht van onze menselijke natuur of opkomende gevoelens en gedachten uit de diepste afgronden van onze eigen ziel. Hoogte noch diepte, laat het rijkdom, overwinning, roem, geldingskracht of seksuele verlangens zijn; niets is er dat ons niet tot aanvechting kan worden. Vooral omdat zonde en juist het verkeerde in ons aanspreekt of ons op een weg kan leiden naar verkeerde omstandigheden in haar voorstadium van verzoeking, altijd betoverend mooi is, vol verlokkende pracht en een geweldig opwindend leven belooft. [Zonde kan ook omschreven worden als de neiging tot datgene wat zo mooi lijkt, maar niet positief / opbouwend gericht is, of alleen maar gericht is op het eigen ego. Soms kan het wel positief gericht zijn, maar met een onjuiste motivatie, zoals bijvoorbeeld eerzucht of hebberigheid.]

De weg naar zonde lijkt op een trap die in een rabbijnse uitlegging van Genesis 6:5 als volgt wordt beschreven: 'De zondige voorstelling leidt tot begeerte, de begeerte leidt tot zinneprikkeling, de zinneprikkeling drijft tot najagen en het najagen van .... leidt tot de daad of de vervulling er van. (Kalla R. II, 6) Jakobus 1:5 zegt hetzelfde. 'Als dus de begeerte bevrucht is, dan baart zij zonde.' Als de zonde volgroeit is, dan brengt zij de dood voort.' 'Deze verzoeking ligt als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat.' Dit was de waarschuwing van God aan Kaïn in Genesis 4:7. God vervolgt daar met '... doch over wie gij moet heersen.' Dit heersen over de zondige aanvechting in ons hart is wat de rabbijnen het heilige "nee" noemen. De adel van het 'nee-kunnen-zeggen' tegen alle verzoekingen die in strijd zijn met de ethiek van de bijbel. Om deze zielskracht op te kunnen brengen hebben we de behoedende bescherming nodig van de Allerhoogste God in dit heelal, Die ons helpt in de strijd om de overhand te krijgen in de verzoekingen die op ons af komen.

En toch lijkt ook het zesde gebod te lijden aan een foutieve vertaling.... 'Leidt ons niet in verzoeking' lijkt aan te duiden dat God Zelf de gelovigen zou willen verleiden - wat alle voorstellingen van een vriendelijke God die liefde voorstaat, zou logenstraffen. Bij het terugvertalen naar het Aramees of het Hebreeuws stuiten we op het woord 'komen' en hetzij (als causatief*) 'brengen of leiden', hetzij (als permissief **) 'laten komen' kan betekenen, zoals bijvoorbeeld het joods avondgebed luidt: " Laat mij niet komen in de macht van de zonde en niet in de macht van de schuld. Noch in de macht van de verzoeking...". Kenmerk hiervan is dat we vaak in de verzoeking struikelen, haar zelfs vaak tegemoet snellen, met als onderliggende grond 'onze eigen zwakheid die ons ten val brengt'. Op dit kwaad (of wat leidt tot dit kwaad in wat voor zin dan ook) reageert de Hebreeuwse oertekst door God om innerlijke kracht tot verzet te bidden: "Laat mij niet struikelen, noch door verzoeking ten offer vallen; geef mij de moed om 'nee' te zeggen!" Ook hier refereert Jacobus aan in hoofdstuk 1:14. 'Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.' Binnen deze betekenis heeft de Franse bisschoppenconferentie (enige jaren geleden) de tekst van deze bede teruggezet naar de oertekst: 'Laat ons niet zwichten voor de verzoeking! ' Kortom ons 'vlees' [aangeboren menselijke neigingen tot alles wat in ons voordeel is of juist andersom te kiezen! ] is niet zo sterk, de verzoekingen die op ons afkomen, daarintegen, wel en ze zijn in de meerderheid. 'Kiest dan heden wie gij dienen wilt.' (Jozua 24:15)

Zeg "nee" als het terecht is. Ook hierin is onze menselijke geest heel sterk. Voel je je niet sterk genoeg, ga bidden. "Gij Vader, weet het! Laat mij niet overweldigt worden, sterk mijn geest, zodat ik, anders dan Kaïn de proef doorsta, erdoor zal rijpen, mij in de nood van mijn ziel sterk zal tonen en heer zal worden over de verzoeking. Waar ze ook vandaan komen."

* een werkwoord dat aangeeft dat men iets doet of laat gebeuren
** veel toestaand, toegeeflijk

Wat dan te doen met een verhaal als dat van Abraham, die door God op de proef gesteld werd in Genesis 22:1 ? En wat te doen met Job die verzocht werd met toestemming van God Zelf? (Job 1:9-12) Hierop zijn twee rabbijnse antwoorden, beiden uit de rabbijnse bron. Rabbi Jonathan zei hierover: 'Als een vlashandelaar zijn vlas klopt, dan slaat hij er niet al te hevig op, omdat het anders in vezels uit elkaar zou kunnen vallen. Maar wanneer zijn vlas van een goede kwaliteit is, dan slaat hij er krachtig op, omdat het daardoor steeds mooier en beter van kwaliteit wordt. Zo verzoekt God de mens die zonder Hem leeft niet, omdat zij dit niet goed zouden kunnen doorstaan... Wie beproefd hij wel? De rechtvaardige!

In Psalm 11:5 staat in de New International Version: 'The LORD examines the righteous, but the wicked, those who love violence, he hates with a passion.' (De Nieuwe Bijbel Vertaling NBV wijkt af van de grondtekst in dit vers.) Als een pottenbakker zijn gebakken potten beproeft, dan beproeft hij niet de beschadigde potten; want hij hoeft maar even te kloppen op zo'n pot te kloppen of hij breekt in scherven. De uitgelezen potten beproeft hij wel. Want hoe vaak hij zo'n pot ook beklopt, hij zal niet in scherven breken. Zo verzoekt ook God niet de mens die er voor kiest om zonder Hem te leven, maar de rechtvaardigen; om hun geloof te versterken. (Gen. Rabba 55)

Het tweede antwoord op deze vraag beroept zich op het feit dat zowel bij Abraham als bij Job, de bijbellezer meer weet (op voorhand) dan de beide proefpersonen. Wij weten namelijk dat God de verzoeking van hen kan vergen, omdat Hij weet dat zij deze verzoeking kunnen doorstaan. Daaruit volgt dat zij beiden werden verkozen tot leidende figuren van de heilsgeschiedenis om ons tot voorbeeld te zijn hoe we een standvastige geloofskracht kunnen ontwikkelen. [Standvastige zin, bewaart men in volkomen vrede, omdat men op U vertrouwt. Jesaja 26:3] Hun verhaal werd opgeschreven om 'ons te onderrichten.. en op te voeden in gerechtigheid' (2 Timotheüs 3:16) wat God geenzins maakt tot een verzoeker, maar tot een Helper in de nood en tot een Persoon Die ons bijstand verleend op het dagelijkse slagveld van de verzoekingen.


'... maar verlos ons van den boze'

Deze voorbede werd in de middeleeuwen begrepen als redding uit de handen van de duivel die twee horentjes, een staart, een paardenhoef en als summum van van al het kwade, de alomtegenwoordigheid kreeg toegedicht. Aangezien het laatste substantief 'boze' in het grieks, zowel een mannelijke als onzijdige betekenis kan hebben, kunnen we er tegenwoordig al het kwaad, ongeacht wat, onder verstaan. In alle mogelijke verschijningsvormen waarin het zich voordoet. Zo staat er in het gebed van rabbi Jehoeda (de compilator van de Misjna, waarmee hij zijn dagelijkse gebeden gewoon was te besluiten): "Moge het Uw wil zijn Heer onze God en God, onze Vader, dat Gij ons redt van de brutalen en van de overmoed, van een boos mens en van boze gebeurtenissen, van boze drift, van een boze kameraad, van een boze buurman en van de satan de verderver." (Ber. 16a)

Misschien dacht Jezus, als collega leraar Mar Bar Rabbina, die elke morgen zijn Schepper bad: "Mijn God bewaar mijn tong voor het boze en mijn lippen dat zij geen bedrog spreken... Redt mij van een boze gebeurtenis, van boze drift en van een boze vrouw en van al het het boze dat woedend op mij af komt om in de wereld te komen. Verijdel bij allen die mij boos gezindt zijn, ijlings hun raad en maak hun gedachten te schande... (Ber. 17a) Nog meer voor de hand lijkt te liggen dat Jezus heeft gedacht aan Psalm 37 waaruit onze zeven zinverwante parallellen met de Bergrede toeklinken. In vers acht staat: ... "Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen, wees niet afgunstig - dat sticht louter kwaad" - waarbij het woord de betekenis van 'onrecht of boosheid' behelst. Van het weren van de duivel of het uitdrijven van demonen kan hier nauwelijks sprake zijn - wel van bede om verschoond te mogen blijven van egoïsme, boze drift en van haat jegens de naaste. Het is niet uit te sluiten dat de beide laatste beden bijeenhoren waarbij de voorlaatste bede om bescherming van de ziel tegen innerlijke verzoekingen vraagt en het laatste gebed vraagt om bijstand uit de hemel tegen alle kwaad dat van buitenaf komt - met inbegrip van de vader van de leugen van den beginne en mensen die door de vader van het kwaad geïnspireerd worden. In het zevende vers van het 'Achttiengebed' 'De verlossing' geheten, lezen we samenvattend: "Zie op onze ellende en strijd onze strijd, Gij HEER, Verlosser Israels."

Nauwelijks met de bedoeling van Jezus te verenigen lijkt de wereldmoede ondertoon waarmee Luther zijn uitlegging van deze laatste voorbede besluit: "Wij bidden ... dat de Vader in de hemel ons .... een zalig einde schenke en ons met genade vanuit dit tranendal tot Zich neemt in de hemel."

Het slot van het 'Onze Vader' is één geweldige lofprijzing die als bekroning van alle voorbeden de zekerheid van hun verhoring bekrachtigd, doordat zij de Vader in de hemel erkent als met alle macht bekleed(de) heerser over natuur en geschiedenis, lichaam, ziel en geest.

Het hoofdstuk waarin Jezus het 'Onze Vader' bidt, herinnert in zeven formuleringen aan de achttien gebeden van het joodse hoofdgebed, waarin elke afzonderlijke voorbede besluit met een lofprijzing van God. Nader aangeduid:
- 'Uw Naam worde geheiligd' herinnert aan de derde lofprijzing van het Achttiengebed, dat begint met 'Heilig zijt Gij en eerbiedwekkend is Uw Naam.'
- 'Uw Koninkrijk kome' geeft uitdrukking aan de hoop van de elfde lofprijzing 'Wees Koning over ons, Gij alleen!'
- 'Uw wil geschiedde' weerklinkt in de woorden van de dertiende lofprijzing, in een uit het oude Palestina afkomstige versie, waarin diegenen worden geloofd 'die Uw wil doen'. In de zestiende lofprijzing van dezelfde opzet die aanvangt met de woorden: 'Het zij Uw wil, Heer onze God...'
- De bede om brood herinnert aan de tweede lofprijzing: 'Gij zijt machtig in eeuwigheid ... die uit genade zorgt voor de levenden' wat in de versie uit het oude Palestina verkort is tot 'Gij voedt de levenden.'
- '.... en vergeef ons onze schulden...' klinkt als een echo van de zesde lofprijzing waarin staat: 'Vergeef ons, onze Vader, want wij hebben tegen U gezondigt !'
- '... en leidt ons niet in verzoeking' in de zin van, .... 'en laat ons niet voor de verzoeking bezwijken', komt inhoudelijk overeen met de voorlaatste lofprijzing in de hiervoor genoemde versie uit het oude Palestina, waarin wordt gezegt: '... toen wij zeiden dat onze voet wankelde, heeft Uw liefde ons ondersteund.'
- ... 'maar verlos van van den boze' klinkt ook tot ons in de zevende lofprijzing '... 'zie op onze ellende en verlos ons!'

Van bijzonder belang is het feit dat het in drie lofprijzingen om een zeer oude uit Palestina afkomstige versie van het Achttien-gebed gaat, die waarschijnlijk nog dichter bij de liturgie staat die gebruikt werd in de tijd van Jezus dan de liturgie die heden ten dage gebruikt wordt. De huidige liturgie gaat terug tot de tempel-liturgie. Aangezien alle zeven beden uitgaan van Gods almacht, bundelt Hij zijn lofprijzingen aan het eind van het onze Vader, waar duidelijk het grenzeloze vertrouwen in uitgedrukt wordt!

Deze slotdoxologie, zoals theologen haar noemen, die in de oudere handschriften ontbreekt, is kennelijk een verkorte vorm van het dankgebed dat koning David uitspreekt, voordat zijn zoon Salomo gezalfd wordt tot koning over Israel: "Geprezen zijt Gij HEERE God van onze vader Israel, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U. Van U is de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de Majesteit, ja alles wat in de hemel en op de aarde is, van U is de heerschappij, o Here en Gij zijt als hoofd boven alles verheven." ( 1 Kronieken 29:10, 11) In de stenografie van de rabbi van Nazareth is dat samengesteld tot 'Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid.'

AMEN!

Amen - het laatste woord waarmee het Onze Vader besluit is sedert de Statenvertaling zo in de Nederlandse taal ingeburgerd dat men zich van de oorsprong niet meer bewust is. Letterlijk vertaald betekend het ' iets vasts of iets bestendigs waarop men zich onvoorwaardelijk kan verlaten'. Het is stamverwant met het substantief "Emoenah" dat in het algemeen met 'geloof' vertaald wordt, maar eigenlijk een rotsvast vertrouwen tot uitdrukking brengt dat boven alle halfslachtigheid is verheven. Wie in het Hebreeuws 'Amen' zegt, verklaart daarmee dat hij het door hem gehoorde gebed tot zijn eigen gebed heeft gemaakt. 'Amen' in de zin van 'Voorwaar!' of 'Waarlijk'! dient ook als het doen van een eed (Jeremia 11:5), als zelfverplichting of bekrachtiging 'Zo zij het' ! (Jeremia 28:6), als bevestiging van een vrome wens, een profetische voorzegging of een vurig gebed van een leraar of voorbidder, waarmee wordt bedoeld: "Mogen deze woorden spoedig in vervulling gaan!"

Niet in de laatste plaats duidt rabbi Chanina het woord 'amen' als afkorting van de gebedsvorm : 'El Melech Ne'eman', wat betekend 'God is een betrouwbare Koning. In wezen is dit de stilzwijgende vooronderstelling van het hele 'Onze Vader'. Johannes gebruikt in het boek Openbaringen [in het stuk waarin de openbaring op Patmos beschreven wordt] deze bijbelse term voor Jezus, omdat Jezus gedurende zijn leven heel vaak het woord 'voorwaar' gebruikte. .... daarom is ook door Hem het 'Amen, tot eer van God door ons.' (2 Korinthe 1:20)

Bij godsdienstige plechtigheden in de synagoge pleegt de Joodse gemeente (reeds van vóór de periode waarin Jezus leefde) met luide stem, eenstemmig, afzonderlijke lofspreuken, zegenbedes en na elk van de drie onderdelen van de zegeningen van Aäron (Numeri 6:24-26) hun 'amen' te laten klinken. Aangezien naar oeroud gebruik de voorbidder niet het op zijn voorbeden volgend 'Amen' van de biddende gemeente mocht meezeggen (T. Meg.4,27,j en Ber.5, 9c) laat zich de vraag stellen of Jezus zelf het 'Onze Vader' heeft voorgebeden om vervolgens zijn dicipelen 'Amen' te laten zeggen of omgekeerd? Gezien het verband waarin het gebed staat, lijkt het zo te zijn geweest dat hij het hun eerst zelf voorgesproken heeft, om hen met een 'amen' te laten antwoorden, totdat ze het uit hun hoofd geleerd hadden en ze het dagelijks zelf plachten te bidden en hij dan zijn 'amen' uitsprak als bekronend slot.

Welke waarde kent men in het jodendom toe aan het uitspreken van het 'amen' ?
- Er bestaat niets groters voor God dan het amen dat de Israeliten antwoorden.
(Deut. R7)
- Wie 'amen' antwoordt in deze wereld, die wordt waardig bevonden ook in de toekomstige wereld 'amen' te antwoorden. (Deut. R7
- Wie met z'n hele hart 'amen' antwoordt, voor hem opent God de poorten van de hof van Eden, zoals geschreven staat: "Opent de poorten, opdat een rechtvaardig volk binnengaat, dat 'Amen' antwoordt.
Volgens Jesaja 26:2 (in de Farizeese lezing in Sabbat 119b en Sanhadrin 110b) wordt er een woordkeus gebruikt, waardoor de volgende lezing mogelijk wordt door de afwezigheid van klinkers in de Hebreeuwse bijbeltekst (zonder ook maar 'één jota van de tekst te laten vergaan'). Er staat dan in plaats van 'Sjomrej-emoenim' ( betekenis: dat zijn trouw bewaart) 'Sje-omrim-Amen' (betekenis: diegene die 'Amen' zegt).

Samenvattend kunnen we vaststellen dat het Onze Vader in klassieke kortheid de quintessens van de joods-christelijke geloofskern tot uitdrukking brengt. En wel heel gecomprimeerd tot zeven grondstellingen komt die als een lichtbundel al datgene uitstralen wat Jezus wilde verkondigen:
1. De Schepper-God is enig en uniek.
2. Hij is Vader van alle mensenkinderen.
3. Het vaste vertrouwen dat God in de toekomst alleenheerschappij zal hebben.
4. De Messiaanse hoop op de voleinding van het heil.
5. De onvoorwaardelijke onderwerping aan de Schepper-God.
6. De vergeving van zonden op aarde en in de hemel.
7. De benadrukking van het feit dat de mens puur aangewezen is op Gods almacht.

Cornelis Rijk van het Secretariaat voor de Eenheid van het Vaticaan beschreef deze zevenvoudige verbondenheid als een 'draagkrachtige brug van verzoening' en voegde daar aan toe: "Als christenen zich nu maar bewust werden dat hun schoonste en oorspronkelijkste gebeden hun wortels in de joodse traditie hebben, dan kan hun godsdienst op een nieuwe wijze bijdragen tot begrip tussen joden en christenen."
Franz Mussner schrijft in zijn traktaat 'Uber die Juden' : "Het is het gebed van de jood Jezus dat ook iedere jood zonder innerlijke reserves kan meebidden, zoals dat verheugend genoeg bij gemeenschappelijke christelijk-joodse-godsdienstoefeningen ook gebeurt. Het Onze Vader is het grootste 'brug-gebed' tussen de joodse en de christelijke gemeente."

De katholieke theoloog Herbert Haag voegt hier nog aan toe: "Een christen kan, zonder iets van zijn overtuiging prijs te geven, zonder enig voorbehoud alle joodse gebeden bidden. Het omgekeerde kan echter niet van alle joden worden gevergd. Maar elke jood kan zonder enig voorbehoud het Onze Vader bidden. Hij zal daarin de schoonste gebedstradities van zijn volk terugvinden..."

Meer dan ooit, zoeken we naar gemeenschappelijke gebeden. Hoe mooi zou het zijn als het Onze Vader niet alleen het gemeenschappelijk gebed zou vormen van christelijke gemeenschappen, maar ook in beide gemeenschappen (joods en christelijk) algemeen aanvaard en gebeden zou zijn. In de afgelopen jaren hebben verschillende joodse autoriteiten in Europa en Amerika hun instemming hiermee betuigd - zonder alle legitieme verschillen tussen christenen en joden te verzwijgen of te verdoezelen. Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Aldus stelt de profeet Maleachi (in vers 2:10) ons de kardinale vraag naar het bijbels heilsuniversalisme. Het antwoord op die vraag kan alleen maar luiden: 'Als broeders en zusters onder God, kunnen, nee, moeten we, gemeenschappelijk een gebed beginnen met de woorden: 'A winoe- sje-ba-Sjamájim' - 'Onze Vader in de hemel...'

Avinu Malkeinu


Het Achttien - gebed
(De verkorte vorm zoals gebruikt op de shabbat)

1. Gezegend Gij, EEUWIGE onze God en God van onze Vaderen, God van Avraham, God van Jitzchak en God van Ja’aqov.
Grote, machtige en ontzagwekkende God, allerhoogste God, Die goede weldaden verricht en alles tot Zijn bezit vormt, die de daden van de vaderen gedenkt en de zonen van hun zonen een Verlosser brengt, terwille van Zijn Naam, in liefde. Gezegend gij, EEUWIGE, Avrahams Schild, Koning, Helper, Bevrijder en Schild.

2. Gij zijt machtig voor altijd, EEUWIGE, Gij doet doden leven, groot zijt Gij in bevrijden; Die in verbondenheid het leven onderhoudt, in grote barmhartigheid doden doet leven, vallenden ondersteunt, zieken geneest en geboeiden losmaakt en Zijn trouw gestand doet aan hen die slapen in het stof. Wie is als Gij, EEUWIGE van machtige daden, en wie is U gelijk o, Koning? Die doodt en doet leven en bevrijding laat ontspruiten. Getrouw zijt Gij in het doen leven van doden. Gezegend gij, EEUWIGE, Die de doden doet leven.

3. Heilig zijt Gij en heilig is Uw Naam en heiligen loven U elke dag. Gezegend Gij, EEUWIGE, heilige God.

4. Gij begenadigt de mens met wetenschap en leert de sterveling inzicht. Begenadig ons van Uwentwege met wetenschap, inzicht en verstand Gezegend gij, EEUWIGE, Die begenadigt met wetenschap.

5. Bekeer ons, onze Vader, tot uw Tora en breng ons nader, onze Koning, tot Uw dienst en voer ons in volledige bekering terug tot voor Uw Aangezicht. Gezegend gij, EEUWIGE, die de bekering wil.

6. Vergeef ons, onze Vader, want wij schoten tekort, scheld ons kwijt, onze Koning, want wij misdreven; want kwijtscheldend en vergevend zijt Gij. Gezegend Gij, EEUWIGE, Genadige, die zoveel vergeeft.

7. Zie onze ellende en strijd onze strijd en verlos ons spoedig, terwille van uw Naam; want een sterke Verlosser zijt Gij. Gezegend Gij, EEUWIGE, Israëls verlosser.

8. Genees ons, EEUWIGE, dan zijn wij genezen, bevrijd ons, dan zijn wij bevrijd, want Gij zijt onze Lof. En breng volledige genezing voor al onze slagen, want God, Koning, een Geneesheer, trouw en barmhartig zijt Gij. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die de zieken van Zijn volk Israël geneest.

9. Zegen voor ons, EEUWIGE onze God, dit jaar en al wat het opbrengt ten goede. Geef zegen op het aangezicht van de akker en verzadig ons uit Uw goed, en zegen ons jaar als de goede jaren. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die de jaren zegent.

10. Blaas de grote bazuin voor onze vrijheid en steek op het teken voor de inzameling van onze ballingen, en zamel ons tezamen in, uit de vier hoeken der aarde. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die inzamelt de verstrooiden van Zijn volk Israël.

11. Doe terugkeren onze rechters als eertijds en onze raadgevers als in het begin, en laat smart en zuchten van ons wijken. Wees Koning over ons, Gij EEUWIGE, Gij alleen, in verbondenheid en erbarmen, en doe gerechtigheid met ons in het recht. Gezegend Gij, EEUWIGE, Koning, Die liefheeft gerechtigheid en recht.

12. En laat er voor de lasteraars geen hoop zijn, en mogen alle boosdoeners in een oogwenk vergaan en zij allen spoedig worden uitgesneden. En de verwatenen, ruk die spoedig uit, breek ze, werp ze terneer en breng ze ten val, spoedig, in onze dagen. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die vijanden breekt en verwatenen ten val brengt.

13. Over de rechtvaardigen en over de getrouwen, over de oudsten van uw volk, het huis van Israël over die overbleven van hun geleerden en over de rechtvaardige bekeerlingen, en over ons, worde uw erbarmen gewekt, EEUWIGE onze God. Geef goed loon aan allen die zich in waarheid op Uw Naam verlaten, en stel ons deel met hen, en nimmer zullen wij beschaamd staan, want op U verlaten wij ons. Gezegend Gij, EEUWIGE, Steun en Toeverlaat voor de rechtvaardigen.

14. En keer in erbarmen terug naar Jeruzalem, Uw stad, en woon in haar, zoals Gij gesproken hebt; bouw haar, binnenkort in onze dagen, tot een bouwwerk voor altijd, en bereid in haar spoedig de zetel van Dawied. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die Jeruzalem bouwt.

15. De Spruit van Dawied (David), Uw dienaar, doe die snel ontspruiten en Zijn hoorn verheffe zich door Uw bevrijding; want op Uw bevrijding hopen wij heel de dag. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die de hoorn der bevrijding doet ontspruiten.

16. Hoor ons gebed, EEUWIGE onze God, spaar ons en erbarm U over ons en neem in erbarmen en welwillendheid ons gebed aan, want God, een Hoorder van gebeden en smekingen zijt Gij. Laat ons, onze Koning, niet ledig van voor Uw aangezicht terugkeren, want Gij hoort het gebed
van Uw volk Israël in erbarmen. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die het gebed hoort.

17. Hoor ons gebed, EEUWIGE onze God, spaar ons en erbarm U over ons en neem in erbarmen en welwillendheid ons gebed aan, want God, een Hoorder van gebeden en smekingen zijt Gij. Laat ons, onze Koning, niet ledig van voor Uw aangezicht terugkeren, want Gij hoort het gebed
van Uw volk Israël in erbarmen. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die het gebed hoort.

18. Wees welwillend, EEUWIGE onze God, jegens Uw volk Israël en hun gebed en doe de dienst terugkeren naar het binnenste van Uw huis, en de vuuroffers van Israël en hun gebed neem die in liefde welwillend aan. Moge de dienst van Uw volk Israël steeds naar Uw wil zijn, en mogen
onze ogen aanschouwen Uw terugkeer naar Sion in erbarmen. Gezegend Gij, EEUWIGE, Die Zijn inwoning terugvoert naar Sion.

Wij danken U, dat Gij zijt de EEUWIGE onze God en de God van onze Vaderen, voor altijd en immer. Rots van ons leven, Schild van onze bevrijding, dat zijt Gij van geslacht tot geslacht. Wij danken u en vertellen Uw lof voor ons leven dat overgegeven is in Uw hand, voor onze zielen die zijn toevertrouwd aan U, voor Uw tekenen die elke dag bij ons zijn en voor Uw wonderen en goedheden te allen tijde, 's avonds, 's morgens en 's middags. De Goede, want Uw erbarmen houdt niet op; Barmhartige, want Uw weldaden nemen geen einde; van oudsher hopen wij op U. En voor dit alles zij Uw Naam gezegend en verheven, onze Koning, steeds voor altijd en immer, en alle levenden zullen U danken, séla, en Uw Naam in waarheid loven. God, onze Bevrijding en onze Hulp. Gezegend Gij, EEUWIGE, de Goede is Uw Naam en het is heerlijk U te danken.

Stel vrede, goedheid en zegen, genade, verbondenheid en erbarmen over ons en over heel Uw volk Israël. Zegen ons, onze Vader, ons allen als één, in het licht van Uw aangezicht, want in het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, EEUWIGE onze God, de Tora des levens en de liefde der verbondenheid, gerechtigheid en zegen, erbarmen en leven en vrede. Goed is het in Uw ogen om Uw volk Israël te zegenen te allen tijde, elk uur, met Uw vrede. Gezegend gij, EEUWIGE, Die Zijn volk Israël zegent met vrede.